In NRC schreef Ronald Hoeben een mooie column over ‘Het slagersambacht’. Hij mist, laat hij weten, de slagers in de buurt waarin hij is opgegroeid. ‘De slager zelf stond met een bebloede witte jas achter het hakblok, waar hij dreunende klappen op gaf met de platte kant van zijn bijl.’
Hoeben constateert dat ‘de klassieke slagerijen die de tijdspanne waarin de supermarkt oppermachtig werd, wisten te overleven, nu worden gekoesterd’. Daaraan voegt hij toe: ‘Ze verkopen vlees-met-een-verhaal, en dat hoeft niet eens per se biologisch te zijn.’
Een prachtig mooi stukje. Toch wil ik er drie elementen uithalen. Allereerst de bebloede witte jas. Er kwam een reactie van een lezer die de bebloede witte jas nog wel ziet. ‘Ook is de werkkleding op maandagochtend al vies. Waarschijnlijk heeft die slagerij een defecte wasmachine of gebruikt de kleding voor het schoonmaken van de darmen voor de worst.’ Hij vindt dat uiterst ongewoon en voor veel klanten ongewenst. ‘Dat zal zo’n slager wel merken aan zijn klandizie.’ Daar hoef ik niets aan toe te voegen.
Een andere lezer schrijft ‘dat het veel slagers onmogelijk is gemaakt om hun vak naar eigen tevredenheid te blijven uitoefenen doordat de eisen in Nederland zo idioot streng zijn geworden’. Het ambacht leeft, ook onder de consument!
Vlees heeft een verhaal. Dat verhaal moet wel worden verteld en dat willen meer consumenten horen dan wij soms denken. Wat te denken van deze opmerking: ‘Dit is echt genieten. Een echte slager die van zijn vak houdt. Geweldig.’ Dát is het verhaal: draag het ambacht, de liefde voor het vak en het vakmanschap uit. Wel in een schone witte jas!





