Het slagersbedrijf is nog typisch een familiebedrijf. Het hele gezin is er druk. Vanzelfsprekend de partner van de ondernemer. Of die nu wel of niet meewerkt in het bedrijf, zij ervaart de lusten en zeker ook de lasten. En dat de kinderen even een handje uitsteken, is meer een dagelijks ritueel dan uitzondering.
Je staat er samen voor. Zo voelt dat. De overheid heeft in het verleden té weinig aandacht gehad voor het belang van familiebedrijven. Er is daarin een kentering ontstaan. Terecht.
Waarom? Omdat geen werknemers zo flexibel inzetbaar zijn als de gezinsleden van de ondernemer. Bij familiebedrijven gaat continuïteit voor kortetermijnsucces. En familiebedrijven kunnen veel beter dan de grote bedrijven de tering naar de nering zetten. Het gaat toch om je eigen bedrijf, geld en middelen. Daar ga je zuinig mee om. Het zou heel wat waard zijn als je het bedrijfsleven (en overheid) met de middelen waarmee ze moeten werken om zouden gaan alsof het hun eigen middelen waren.
Niet alle familiebedrijven zijn succesvolle ondernemingen. Er zijn slagers gestopt, omdat zoonlief het bedrijf niet wilde voortzetten (vroeger vaak een vanzelfsprekendheid) en er zich geen koper aandiende. Soms omdat niet voldoende werd geanticipeerd op de veranderingen in de markt, waardoor het bedrijf aan waarde verloor. Zo kwam er bij nogal wat ondernemersgezinnen na jarenlang hard werken en nauwelijks pensioenopbouw een triest einde.
Maar er zijn ook fantastische slagersbedrijven: flexibel en veerkrachtig, waar trotsheid en passie heerst. Waar een nieuwe generatie klaar staat. Ik hoop dat de overheid én maatschappij deze bedrijven meer gaat koesteren. Zij zorgen voor een leefbare samenleving (een slagerswinkel zorgt voor beleving en activiteit in stad, dorp of wijk), maar ook voor werkgelegenheid.





