Niet lekker, geen vlees
Ik zeg het nu maar eens: ik vind Valess gewoon níet
lekker. Dat moest er al een tijdje uit. Maar ik durfde niet zo goed, want sinds de komst van de in de hemel geprezen vleesvervanger is iedereen er zo vreselijk lyrisch over. Ik dacht in het begin ook zo, maar ik werd meegenomen op de golven van de halleluja-roepende media die ongetwijfeld in vervoering zijn gebracht door de slimme campagne van Campina.
Die ‘Campina-campaigners’ riepen dat er eindelijk een lekkere vleesvervanger was. De media namen het klakkeloos over (zoals ze zo vaak doen, want eigen onderzoek is er op wat uitzonderingen na niet meer bij) en de consument stopte het winkelwagentje vol met van die paarse pakjes.
Ik beken: ik heb het ook gedaan. Ik heb de kipvariant gehad en de visvariant, of althans wat daar op moest lijken. Mijn oudste zoon, zag mijn gezicht en zei: ‘niet meteen uitspugen, eerst écht proeven’. Daar had hij mij te pakken: dat leer ik mijn kinderen namelijk ook. Ze moeten eerst vijf keer iets hebben geprobeerd en als ze het dan echt niet lekker vinden, gooien we het van het menu af.
Nu moest ik nóg vijf keer Valess kopen en opeten. Ik heb het gedaan, echt met de beste wil van de wereld heb ik het geprobeerd en ik heb écht getracht het lekker te gaan vinden. Het is helaas niet gelukt. Zelfs op de Huishoudbeurs, vorige maand, ben ik nog de nieuwe variant Indonesische filets gaan proeven. Maar zelfs de stevige kruiden konden mij niet over de streep trekken.
Sorry Valess, ik heb het geprobeerd maar ik vind het niet lekker, geen vlees.
Caroline van der Plas
Reageer
(Meat & Meal 03, april 2006)





